De HeatMeister kan de ruimtetemperatuur bijregelen door de ventilatorsnelheid aan te passen. Wanneer deze functie is ingeschakeld zal de ventilatorsnelheid geregeld worden aan de hand van de ruimtetemperatuur, wanneer deze functie is uitgeschakeld wordt de ventilatorsnelheid geregeld op basis van de watertemperatuur.
Wanneer u gebruik maakt van een warmtepomp kan er automatisch gedetecteerd worden wanneer een ontdooicyclus van de buitenunit plaatsvindt (defrosting). De ontdooicyclusdetectie zal de ventilatoren dan tijdelijk uitschakelen. Dit verbetert de tijd en efficientie van de ontdooicyclus Gebruik deze functie niet wanneer u een gasgestookte CV-ketel heeft.
Veel warmtepompen starten op maximaal thermisch vermogen om de compressorsmering en thermodynamische huishouding te garanderen. Indien het afgiftesysteem deze warmte niet kwijtraakt, kan het zijn dat de warmtepomp gaat pendelen. Deze opstartondersteuningsfunctie zorgt ervoor dat de ventilatoren tijdelijk op maximale snelheid werken wanneer een opstartcyclus gedetecteerd wordt, waarmee pendelen voorkomen kan worden. Gebruik deze functie niet wanneer u een gasgestookte CV-ketel heeft.
Om de ruimte sneller op te warmen kan de boost-functie automatisch geactiveerd worden wanneer de ruimtetemperatuur lager is dan de ingestelde drempeltemperatuur. De boost-modus wordt ook automatisch gedeactiveerd wanneer de temperatuur 0.25 graden hoger is dan de drempeltemperatuur.
Indien gewenst kunnen de geavanceerde parameters voor de regeling aangepast worden om het gedrag verder op uw wensen af te stemmen.
Getallen dienen in het format "000.00" of "000" ingevoerd te worden. Ongeldige waarden zullen na het opslaan van de parameters gecorrigeerd worden.
Tip: standaardwaarden worden tussen haakjes vermeld achter de parameter.
In/uitschakelgedrag
De ventilatoren worden ingeschakeld wanneer er een voldoende groot temperatuurverschil ontstaat tussen de inlaatwatertemperatuur en de ruimtetemperatuur. In de figuur hieronder is grafisch weergegeven bij welk temperatuurverschil de ventilatoren zullen worden in/uitgeschakeld op basis van parameters Te en Th.
Te bepaalt wanneer de ventilatoren worden ingeschakeld en het snelheidsprofiel zullen gaan volgen.
℃
℃
Th bepaalt het temperatuurverschil tussen het aan- en afschakelen (hysterese) rondom Te. Een hogere waarde voor Th onderdrukt pendelgedrag (het herhaaldelijk aan- en uitschakelen van de ventilatoren als de temperatuur rond de inschakeltemperatuur ligt).
Voorbeeld: met Th=2.0 moet het temperatuurverschil 1 graad boven de waarde van Te komen voordat de ventilatoren worden ingeschakeld, en 1 graad eronder zakken alvorens ze weer worden uitgeschakeld (totale hysterese is 2 graden).
℃
Snelheidsprofiel (verwarmen)
In de figuur hieronder is grafisch weergegeven wat de ventilatorsnelheid is als functie van de aanvoertemperatuur van het water. De ventilatorsnelheid wordt bepaald door de gemeten aanvoertemperatuur van het water Tinlet, de temperatuur voor de minimale snelheid Ts1, de temperatuur voor de maximale snelheid Ts2, de minimale snelheid Sh,min, en de maximale snelheid Sh,max.
Voorbeeld: Ts1=30.0℃, Ts2=40.0℃, Sh,min=0%, Sh,max=80% en Tinlet=35℃, dan is de ventilatorsnelheid 40%.
Ts1 is de aanvoertemperatuur welke hoort bij de minimale ventilatorsnelheid. Als de watertemperatuur lager is dan Ts1 blijven de ventilatoren op de laagste snelheid (Sh,min) draaien.
℃
Ts2 is de aanvoertemperatuur welke hoort bij de maximale ventilatorsnelheid (Sh,max). Als de watertemperatuur hoger is dan Ts2 blijven de ventilatoren op de hoogste snelheid (S,hmax) draaien.
℃
Sh,min is de minimale ventilatorsnelheid.
%
%
Note: deze instelling wordt niet gebruikt wanneer de ruimtetemperatuurregeling-functie actief is.
Sh,max is de maximale ventilatorsnelheid.
%
%
Tip: om de regelcurve aan te passen kan Sh,max in boost mode hoger zijn dan 100%, waardoor effectief Ts2 wordt verlaagd, en het effect van de boost mode wordt vergroot.
Snelheidsprofiel (koelen)
In de koelmodus wordt een vaste ventilatorsnelheid Sc toegepast.
%
%
Ruimtetemperatuurregeling
Kp is de regelgevoeligheid voor de ruimtetemperatuurcompensatie.
%/graad
Let op: een te grote waarde kan zorgen voor een instabiele regeling.
Ki is de regelsnelheid voor de ruimtetemperatuurcompensatie.
%/minuut/graad
Let op: een te grote waarde kan zorgen voor een instabiele regeling.
Sensorkalibratie
Hieronder kunt u een offset opgeven voor de temperatuursensoren. Deze offsetwaarde zal opgeteld worden bij de berekende waarde van de bijbehorende temperatuursensor.
℃
℃
℃
Dynamisch bereik stuursignaal
Het stuursignaal voor de ventilatoren voldoet aan de standaard voor PWM-gestuurde ventilatoren. Sommige ventilatoren kunnen echter verder terugmoduleren wanneer het stuursignaal een groter dynamisch bereik gebruikt.
Let op: inschakelen kan ongewenst gedrag veroorzaken, test het gedrag op lage ventilatorsnelheden nadat dit is ingeschakeld.
Uitschakelvertraging ventilatoren
Hieronder kan de uitschakelvertraging (overrun) van de ventilatoren ingesteld worden. Deze voorkomt dat de ventilatoren pendelen als verschiltemperatuur rond de inschakeldrempel schommelt, en beperkt tevens de snelheidsafname van de ventilatoren (indien ruimtetemperatuurregeling uitgeschakeld). Snelheidsafname van 100% naar 0% duurt net zo lang als de uitschakelvertraging, snelheidstoename wordt niet beperkt.
minuten